
De Wet medezeggenschap scholen (WMS) op hoofdlijnen
Uit het wetsvoorstel zoals dit naar de Tweede Kamer is gestuurd kan worden geconcludeerd dat de WMS, op hoofdlijnen, de volgende veranderingen ten opzichte van de WMO zal kennen:
a. Gezamenlijke medezeggenschap
Het primair en voortgezet onderwijs houden een eigen wettelijk kader voor medezeggenschap van ouders, leerlingen en personeel. Meer dan voorheen worden ontwikkelingen rondom de medezeggenschap van werknemers buiten het onderwijs ingebed in dit wettelijk kader.
b. De GMR voor het totale bovenschoolse domein
De positie van de GMR zal verder veranderen en wel op zo’n wijze dat deze verder kan uitgroeien tot een effectieve gesprekspartner van het bevoegd gezag op bovenschools niveau. Hiertoe krijgt de GMR via een wettelijke toedeling taken en bevoegdheden bij alle onderwerpen die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de scholen bij het bevoegd gezag die ingegeven zijn door de constatering of het zaken betreft van gemeenschappelijk belang.
Hiermee is de GMR niet meer afhankelijk van de overdracht van bevoegdheden vanuit de afzonderlijke MR-en.
c. Eigenstandige bevoegdheden
De ouders-, leerling- en personeelsgeledingen krijgen eigenstandige instemmingsbevoegdheden. Deze instemmingsbevoegdheden worden in de WMS een «exclusieve» aangelegenheid van die geleding met het bevoegd gezag.
Voor de personeelsgeleding hebben de exclusieve instemmingsbevoegdheden betrekking op arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden in ruime zin. Maar ook de oudergeleding krijgt exclusieve instemmingsbevoegdheden.
d. Afschaffing spiegelbepaling
Tot nu toe is het zo dat instemmingsrecht voor de ene geleding altijd adviesrecht voor de andere geleding betekent. De introductie van eigenstandige bevoegdheden betekent dat deze ‘spiegelbepaling’ rondom deze onderwerpen komt te vervallen. Daarbij zal gelet op het belang van gezamenlijkheid in de wet worden geborgd dat het schoolbestuur verantwoord omgaat met de positie en de belangen van de andere geleding(en) dan die waarmee het eigenstandige overleg wordt gevoerd.
e. Meer ruimte voor flexibiliteit
De nieuwe wet zal ruimte bieden voor inrichting van de medezeggenschap op een dusdanige manier dat deze het beste past bij de lokale situatie. Zo kan, anders dan onder de huidige WMO, ook een volwaardige raad worden ingesteld op het niveau van een dislocatie, nevenvestiging of organisatieonderdeel als tweederde van het aantal leden van de «oorspronkelijke» MR daarmee instemt. Ook kan – naast de GMR- een groepsmedezeggenschapsraad worden ingesteld voor een deel van de scholen die onder het schoolbestuur ressorteert.
Verder wordt het mogelijk een zogeheten themaraad in te stellen voor een onderwerp dat de (G)MR of het bestuur van wezenlijk belang acht. Bijvoorbeeld op het onderwerp arbeidsomstandigheden of veiligheid. De themaraad kan instemmings- en adviesrecht krijgen toebedeeld en daarmee in de plaats treden van de (G)MR als geheel. De themaraad kan bij instelling tevens het recht meekrijgen om een geschillenprocedure te starten (procesbevoegdheid); het is aan de (G)MR en het bestuur om te bepalen of het wenselijk is dat een themaraad ten aanzien van de overgedragen bevoegdheid procesrecht toekomt.
f. medezeggenschapsstatuut
In de WMS zal komen te staan dat elk schoolbestuur een medezeggenschapsstatuut opstelt waarin wordt vastgelegd hoe de «kaart van medezeggenschapsorganen» bij het schoolbestuur er uit ziet. Het statuut heeft een tweeledig karakter: informerend, maar óók construerend. In het statuut wordt beschreven welke medezeggenschapsorganen er zijn en wat hun bevoegdheden zijn; deze bevoegdheden zélf zijn verankerd in het reglement van het desbetreffende orgaan. De bevoegdheden zijn met andere woorden in regulerende zin vervat in het reglement van het medezeggenschapsorgaan; in informatieve zin worden ze ook opgenomen in het medezeggenschapsstatuut. De kaart van medezeggenschapsorganen zoals opgenomen in het statuut toont in feite het organogram van medezeggenschapsorganen en beschrijft deze op een voor een ieder inzichtelijke wijze.
Met de kaart van medezeggenschapsorganen vervult het medezeggenschapsstatuut een informatieve functie.
Daarnaast heeft het statuut een regulerende functie ten aanzien van een drietal punten:
1. In het statuut wordt vastgelegd hoe en wanneer door het schoolbestuur aan de medezeggenschapsorganen de informatie wordt verstrekt die nodig is voor het uitoefenen van medezeggenschap.
2. In het statuut wordt geregeld op welke wijze de medezeggenschapsorganen elkaar en hun achterbannen informatie verstrekken over hun activiteiten en op welke wijze de facilitering is geregeld.
3. In het statuut wordt vastgelegd welke afspraken zijn gemaakt tussen bevoegd gezag en (G)MR over de toekenning van faciliteiten aan de leden van de GMR en de MR-en. Dit niet alleen m.b.t. de tijd gedurende welke een personeelsleden binnen de raad hun werkzaamheden – naast het bijwonen van de vergaderingen – kunnen onderbreken voor werkzaamheden rond een raad. Maar ook m.b.t. het vergoeden van de kosten van deskundigen die door de (G)MR worden geraadpleegd.
Het medezeggenschapsstatuut strekt zich uit over het totaal van de medezeggenschapsverhoudingen bij het schoolbestuur. Daarom dient de GMR in te stemmen met het statuut alvorens het wordt vastgesteld; bij schoolbesturen met één school in het beheer wordt het statuut vastgesteld door de MR.
g. Geschillenbeslechting
De (G)MR-geledingen krijgen zelfstandig procesbevoegdheid. Dit past bij het feit dat zij in de toekomst eigenstandig overleg voeren met het schoolbestuur.
De toetsingscriteria bij geschillen worden gelijkluidend aan die van de Wet op de ondernemingsraden. Dit betekent onder meer dat bij adviesgeschillen ook wordt nagegaan of de belangenafweging die het bestuur voorafgaand aan de besluitvorming heeft gemaakt, de toets der redelijkheid kan doorstaan.
h. Status
Het wetsvoorstel voor de Wet medezeggenschap op scholen is op 20 juni jl. door de Tweede Kamer aangenomen. Behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer staat gepland voor september. Planning is dat deze wet per 1 januari 2007 in werking treedt en, in elk geval voor het primair en voortgezet onderwijs, in de plaats komt van de huidige Wet medezeggenschap onderwijs.
Via amendering heeft de Kamer een aantal wijzigingen aangebracht ten opzichte van het door de regering ingediende wetsvoorstel. De belangrijkste wijzigingen zijn:
Binnen vier maanden na inwerkingtreding van de WMS dient ieder bevoegd gezag een nieuw medezeggenschapsreglement ter instemming aan de MR en de GMR voor te leggen. Ook moet het bevoegd gezag een voorstel voor een medezeggenschapsstatuut maken, en dit ter instemming aan de GMR (of bij een éénpitter de MR) voorleggen. In dit statuut worden de randvoorwaarden voor het functioneren van de medezeggenschap op school- en bovenschools niveau geregeld. Ondermeer: welke medezeggenschapsorganen er zijn, de faciliteiten, en de wijze waarop de raden hun achterbannen informeren.
De landelijke organisaties voor bestuur, personeel, ouders en leerlingen werken op dit moment samen aan een modelreglement voor de verschillende raden, alsmede een voorbeeld voor een medezeggenschapsstatuut. Om die reden is het advies om vooralsnog te wachten met het in elkaar zetten van reglementsvoorstellen, doch de oriëntatie binnen het bestuur, en tussen bestuur en (G)MR'en, vooral te richten op de hoofdlijnen van de gewenste structuur.